home   Cursusoverzicht   Wat is belfactorij?   Aanmelden   Administrator

les 0
les 1, het begin
2.1 inlezen
2.2 vectoren
2.3 matrices
2.4 bewaren
2.5 samenvatting
les 3, figuren

 

Les 2. Inlezen, bewerken en bewaren

 

 

2.4 bewaren van gegevens

 

Met behulp van write.table wordt een object (bijvoorbeeld een data.frame of vector) weggeschreven, naar de default directory.

 

> write.table(y, file = “y.Rdata”)

 

Ook nu weer kunnen, gescheiden door een comma, een aantal argumenten tussen de haakjes worden gevoegd.

 

 

y

Naam van het object dat je wilt bewaren. Je kan ook meerdere objecten in een bestand bewaren. Je moet deze dan in het commando write.table scheiden door comma’s.

file

Geeft tussen haakjes de naam van het te bewaren bestand.

append

=T of F; bewaard reeds bestaande data (in het bestand met de zelfde naam)

quote

Geeft aan welk symbool is gebruikt voor character variabelen

dec

Geeft aan welk symbool is gebruikt voor de decimale punt.

row.names

Een vector met de namen van de rijen

col.names

Een vector met de namen van de variabelen

eol

Geeft het symbool waarmee een end of line wordt aangegeven. Bijvoorbeeld =”\n”.

sep

Geeft aan welk symbool er is gebruikt om velden te scheiden

qmethod

Geeft aan, als quote = TRUE, hoe character variabelen worden behandeld. Bij “e” wordt het “, bij “d” wordt het “” .

 

Als ik de  vector (matrix of wat dan ook) X gemaakt in R wil opslaan in een testfile die na copieren direkt te pasten is in Excel kan ik dit bijvoorbeeld als volgt doen.

 

> write.table(X , file = "x.txt", sep ="\t")